Publicaties
& media.
10 juli 2021
Geschreven door: Fakiri

In verschillende publicaties zullen wij de inlichtingenplicht die in de Participatiewet geldt bespreken. In deel I wordt uiteengezet wat onder de inlichtingenplicht verstaan wordt.

Inlichtingenplicht

De inlichtingenplicht is in artikel 17 lid 1 Participatiewet geregeld. De belanghebbende moet op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college (gemeente) mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 17 PW blijkt dat de wetgever ervan uit gaat dat de inlichtingenplicht waarschijnlijk de meeste betekenis heeft in het kader van de verlening van bijstand heeft.[1]

Verantwoordelijkheid ligt bij belanghebbende

Uit artikel 17 noch uit de wetsgeschiedenis blijkt welke feiten of omstandigheden de belanghebbende aan het college moet melden. De verplichting tot nakoming in het kader van de inlichtingenplicht wordt wel bij belanghebbende gelegd.

Inlichtingenplicht geldt al vanaf moment aanvraag

De inlichtingenplicht geldt niet alleen in de periode dat een belanghebbende bijstand geniet, maar reeds vanaf het moment van de aanvraag. In dit kader overweegt de CRvB  op 10 oktober 2017 in r.o. 4.3:

“Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft. Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP1399) is het bijstandverlenend orgaan in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand ook bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.[2]

Feiten en omstandigheden

Zoals hiervoor gesteld schrijft de wet niet voor welke feiten en omstandigheden door belanghebbende gemeld dienen te worden, maar wel dat alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat dit van invloed kan zijn op zijn arbeidsinschakeling of bijstandsverlening.[3]

In de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn aanknopingspunten te vinden voor gegevens waarvan de CRvB in ieder geval vindt dat deze gemeld dienen te worden. Het betreffen de volgende gegevens:

– Financiële gegevens (CRvB overweegt: “Voor de beoordeling of de belanghebbende (nog) verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is de financiële situatie van de belanghebbende een essentieel gegeven”)[4]

– Woon- en leefsituatie (CRvB overweegt: “Voor de beoordeling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven.”)[5]

– Werk (In casu ging het om een hennepkwekerij, ook die moeten gemeld worden. Met hennep wordt geld verdiend en dat betreffen inkomsten die op de bijstand in mindering wordt gebracht).[6]

Onverwijld

De feiten en omstandigheden die gemeld dienen te worden, dienen onverwijld plaats te vinden. Uit de uitspraak van 19 juli 2017 van de CRvB volgt dat het achteraf inzenden van een arbeidsovereenkomst, loonstroken en het doorgeven van  inkomsten niet baat. De CRvB overweegt dat deze gegevens onverwijld – meteen – aan het college gezonden hadden dienen te worden.

In deze zaak was nog bepleit dat er onduidelijkheden voor bestonden, daardoor meende de persoon in kwestie niet meteen aan de inlichtingenplicht de kunnen voldoende. Dit standpunt wordt door de CRvB afgewezen:

“Voor zover bij appellant twijfel bestond of zijn dienstverband bij [stichting] voor de verlening van bijstand van belang kon zijn, had appellant daarin aanleiding moeten zien om contact op te nemen met zijn klantmanager om hierover duidelijkheid te verkrijgen. Appellant heeft dit niet heeft gedaan. De gevolgen daarvan komen voor zijn rekening.[7]

Of de inlichtingenplicht onverwijld na is gekomen kan afhankelijk zijn van het beleid dat het college voert. Uit de uitspraak van de CRvB van 4 juli 2017 blijkt dat het college beleid voerde waarin was neergelegd wanneer een belanghebbende tijdig aan de inlichtingenplicht kon voldoen.[8]

Het college maakte gebruik van een Afstemmingsverordening waarbij gold dat bij toepassing van artikel 17 WWB als onverwijld wordt verstaan: bij het eerste rechtmatigheidsonderzoeksformulier of, indien dit niet van toepassing is, vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in deze artikelen zich heeft voorgedaan.

Besluit ontvangen?

Meent Uw gemeente dat U de inlichtingenplicht geschonden heeft en heeft U een besluit ontvangen? Neem dan binnen zes weken na ontvangst van het besluit met ons contact op zodat wij tijdig voor U in bezwaar kunnen gaan. U kunt ons bellen op 070 314 24 14 of e-mailen info@fakirivanbeuningen.nl

[1] Kamerstuk 2002/03, 28870, nr. 3, p. 47

[2] CRvB 10 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3597.

[3] Art. 17 PW.

[4] CRvB 19 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2706 r.o. 4.2;
CRvB 19 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1294.

[5] CRvB 9 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1775 r.o. 4.2.

[6] CRvB 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:433.

[7] CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2016:2706.

[8] CRvB 4 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2354.

Related
Publications.